Bas Heijne

Bas Heijne (1960) is publicist, romanschrijver en vertaler. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Heijne is sinds 1991 als essayist en columnist verbonden aan NRC Handelsblad en daarin behoort hij tot de allerbesten.

 

Wat zou een verklaring kunnen zijn dat wij nog zo regelmatig zoveel stukken van Shakespeare opvoeren?
“Ik denk eigenlijk dat de stukken die vraag het beste zelf kunnen beantwoorden. Neem een stuk als Romeo en Julia: dat verhaal dringt op zo'n tijdloze manier zo diep door in de menselijke ervaring. Wie dat stuk leest of ziet, vindt altijd thema's of scènes die op zijn of haar eigen leven van toepassing zijn. Dat is overigens niet bij al zijn stukken zo. Maar bij de grote stukken wel. Er zijn weinig schrijvers geweest die de volle tragische en komische breedheid van het mens zijn zo goed heeft weten te vangen. Bovendien zijn het heel open toneelstukken: iedere regisseur kan de personages en situaties weer helemaal naar eigen inzicht invullen en actualiseren. Bij veel schrijvers - ook die we nog wel lezen en spelen - moet je echt moeite doen om in hun wereld door te dringen omdat de teksten echt vastgeklonken zitten in de tijd waarin ze werden geschreven. Maar Shakespeare is volstrekt tijdloos. Niet in de zin dat hij in geen enkele tijd thuis hoort. Maar juist dat hij van alle tijden is. Goethe was ook een geniale schrijver, zeker als het om zijn toneelwerk gaat. En zijn stukken hebben ons nog steeds iets te zeggen. Maar niet in de volle breedheid zoals Shakespeare dat kon. Als je een stuk ziet van een goede moderne schrijver, dan krijg je er gelijk zijn wereldbeeld bij: zijn werk gaat over waar hij voor staat. Vaak iets met existentiële pijn, of een tragische of komische kijk op de wereld of het leven. Maar Shakespeare beschreef het hele denkbare scala aan menselijke houdingen, relaties, verlangen en gedachten. Neem Lear en zet dat tegenover een ander stuk: dan vind je een compleet andere visie op de wereld. Dat maakt het niet onevenwichtig, maar juist zéér evenwichtig. Omdat hij zaken van alle kanten belicht. Toneel is bij uitstek een kunstvorm die zich daarvoor leent, omdat je voortdurend van perspectief kan wisselen.”

Wat vind u van zijn taal?
“Het hangt in Nederland natuurlijk deels van de vertaling en de vertaler af. Maar zijn taal is zoveel méér dan alleen maar een vehikel om mensen van de ene naar de andere scene te krijgen. Zijn taal is dramatisch zo rijk: in sommige zinnen zit al een heel toneelstuk. Hij doet briljante observaties, deelt speldenprikken uit alle lagen van de bevolking, serveert geniale komische en smerige woordspelingen. Hij schakelt moeiteloos van komisch naar tragisch. Maar ook van hoog naar laag. Hij weet het denken en doen van de elite moeiteloos in woorden te vatten, maar ook de platvloerse, seksueel geladen taal van het gewone volk. Kijk maar naar een stuk als Midzomernachtsdroom: daarin krijg je de waanzin van de liefde op alle mogelijke niveaus voorgeschoteld.”

U bent heel lyrisch. Heeft u echt geen enkele kanttekeningen over hem?
"Nee, eigenlijk niet. Als een Shakespeare wordt verpest, komt het vaak door de interpretatie. Want Shakespeare is natuurlijk toneel: dus het is altijd maar afwachten wat mensen met zijn teksten doen. Je kan er een wanstaltige, slecht doordachte voorstelling van maken door zijn dialogen platvloers in te vullen. Of door ze uit te laten spreken door oninteressante acteurs. Je kan Shakespeare zo goed of slecht maken als je zelf wilt. Een deel van zijn brille is dat hij veel open laat. Natuurlijk geldt wat ik nu zeg voor alle toneelschrijvers. Maar in het geval van Shakespeare is de inzet natuurlijk ontzettend hoog. Er zijn al zo enorm veel bewerkingen van zijn stukken gemaakt. Dus het is heel moeilijk om iets met een stuk te doen dat nog niet eerder gedaan is. Al is dat natuurlijk ook juist de uitdaging: een getalenteerde regisseur kan in Shakespeare nog genoeg stof vinden om iets te maken dat anderen nog niet eerder hebben gemaakt. Ik denk dat Shakespeare júist dat soort grote geesten aantrekt, omdat zijn teksten zo'n enorm rijke voedingsbodem bieden voor veel verschillende interpretaties. Shakespeare nodigt als geen ander regisseurs uit om iets moois met zijn teksten te doen - maar juist daardoor ligt ook altijd het risico op de loer dat het prut wordt. Als je met Shakespeare faalt, faal je harder dan wanneer je met bijvoorbeeld Ibsen faalt.”

Welke plek heeft King Lear voor u in zijn oeuvre?
“Het is een van de zwartste tragedie die hij geschreven. Er zit eigenlijk in het stuk zelf geen enkele catharsis: die moet pas komen nádat het stuk is afgelopen. Lear gaat er over dat de mens verblind in het leven staat en verschrikkelijke fouten begaat, met onherstelbare consequenties als gevolg. En dat het inzicht meestal pas komt nadat die fouten begaan zijn. Lear voltrekt zich in een diep tragisch universum, waar ook aan het einde geen enkele plek is voor harmonie. Het is een diepe overpeinzing van de menselijke staat. Hoe mensen eigenlijk volstrekt verloren zijn in een wereld die ze niet goed kunnen bevatten en die ze ook niet onder controle kunnen krijgen, terwijl ze de illusie hebben dat dat wel het geval is. Die thematiek is voor mij het scharnier waarop het stuk draait.”

Is Mark Rietman naar uw mening te jong om Lear te spelen?
“Het mooie van Shakespeare is dat je als maker en als acteur de ruimte hebt om heel veel geloofwaardig te maken. Ik kan mij bijvoorbeeld ook voorstellen dat Hamletgespeeld kan worden door een man van 50. Dus waarom dan geen Lear die jonger is dan de Lear die veel mensen zich voorstellen? Zolang het maar niet krampachtig gebeurt. We hebben een tijdje die trend gehad, dat regisseurs heel geforceerd iets gingen zoeken waarmee ze zich konden onderscheiden van alle vorige bewerkingen. Het is natuurlijk ook heel lastig om aan bepaalde stereotypen te ontsnappen als je een Shakespeare opvoert. Want je draagt niet alleen de last mee met het feit dat je een stuk van Shakespeare gaat doen. Maar óók de last van het feit dat al zijn grote stukken een eeuwenlange opvoeringsgeschiedenis met zich mee dragen. Die traditie is vast gaan koeken aan al die stukken. Het vergt een betere regisseur dan bij andere schrijvers om dat te doorbreken. Om die stoflagen van zijn werk af te slaan en alle clichés van de traditie te vermijden en er toch iets nieuws van te maken. Als dat lukt, zijn zijn stukken nog net zo levend als vier eeuwen geleden.”

© Het Toneel Speelt