Freek de Jonge

Freek de Jonge (1944) is een van de bekendste cabaretiers van Nederland. Hij maakte de afgelopen veertig jaar met succes tientallen voorstellingen. In 1993 speelde De Jonge de rol van de Nar in de King Lear met André van den Heuvel als de koning.

 

Waarom is Shakespeare in uw ogen zo'n geweldige schrijver dat we na ruim vier eeuwen zijn stukken blijven spelen?
“Omdat hij laat zien dat de drijfveren van de mens altijd tot drama leiden: hierin ontmoeten de nastrevers van het goede en het kwade elkaar. Omdat het verhevene en het platte naast elkaar staan. Omdat iedereen die een stuk van Shakespeare speelt er ook tenminst een wil regisseren. Omdat zijn werk kameleontisch is: het neemt de kleur aan van de tijdgeest.”

Wie is de Nar? 
“Het personage kan je lastig noemen omdat het geen psychologie heeft, geen motief. Het is veel meer een dwaas dan een nar. De dwaas toont de waanzin van onze rationaliteit aan. Uit de geschiedenis van de waanzin blijkt dat 'gekken kijken' een uitje was. Ik geloof dat de koning voor de lol een gek aan zijn hofhouding toevoegde. Het zou me niets verbazen als in de oorspronkelijke Shakespeare-opvoeringen die rol niet bestond, maar dat er een dwaas mee liep op het toneel die dingen zei die achteraf genoteerd zijn. Waarschijnlijk heeft de dwaas in Lear zich zodanig misdragen voor of tijdens de pauze dat hij teruggestuurd is naar de inrichting. Maar je kunt ook zeggen over het ontbreken van de fool na de pauze: dat als de koning zelf gek wordt, de dwaas niet meer nodig is.”

Komische teksten laten zich doorgaans moeilijk vertalen. Hoe heeft u dat opgelost?
“Het komische van de nar zit hem meer in hoe hij zich gedraagt dan in wat hij zegt. Wat hij zegt, is in wezen heel cryptisch en grijpt vaak met een woordspeling terug op de actualiteit van toen. Die actualiteit zegt ons niets meer, en die woordspeling is onvertaalbaar. Ik heb niets opgelost en gewoon gezegd wat er stond. Het publiek, in zijn behoefte het te willen begrijpen, zorgde voor de rest.”

Lear ontleent zijn identiteit aan de macht die hij heeft. En worstelt met zijn identiteit als hij die macht kwijt raakt. Is dat een emotie die u als cabaretier ook herkent: dat u (ten dele) uw identiteit ontleent aan het succes dat u heeft?
“Ik denk dat je een scheiding moet maken tussen imago en identiteit. Gekte ontstaat als je imago te ver afstaat van jouw identiteit. Om te voorkomen dat ik gek word, zorg ik dat mijn identiteit niet al te zeer verschilt met mijn imago. Zoiets noemt men concessies doen.”

© Het Toneel Speelt