André Rouvoet

André Rouvoet (1962) was jarenlang fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer. In het kabinet-Balkenende IV was hij minister voor Jeugd en Gezin en vicepremier. In 2011 verliet hij de politiek.

 

Wat heeft u met Shakespeare?
“Ik moet eerlijk bekennen dat het antwoord op die vraag 'tot nu toe niet heel veel' is. Uiteraard heb ik op school wel werk van hem gelezen en stukken gezien. En ik heb altijd het gevoel gehad dat ik méér van zijn oeuvre tot mij wilde nemen. Mijn vrouw en ik hebben nu al een half jaar de volledige BBC-serie met alle stukken van Shakespeare heel uitnodigend in de kast staan. Maar het blijft lastig om daar een goed moment voor in te ruimen, hoe zeer dat verlangen er ook is.”

Heeft u King Lear ooit gezien?
“We zijn niet geheel toevallig van de week aan de BBC-versie begonnen. Het is een genot om daarnaar te kijken. Alle teksten worden in het oorspronkelijke oud-Engels uitgesproken.”

Lear worstelt met het feit dat zijn macht zijn identiteit bepaalt. Herkent u dat als belangrijke voormalige speler in de Nederlandse politiek?
“Op geen enkele manier - althans, niet bij mijzelf. Ik weet wel dat het een probleem is waar sommige mensen mee worstelen. Maar het bezitten van enige vorm van macht heeft bij mij nooit deel uitgemaakt van mijn identiteit. Het is geen persoonlijke eigenschap, iets dat je kan bezitten. Het is een middel dat je kunt aanwenden om politieke doeleinden te bereiken. Dat is geheel legitiem.”

Het lijkt me toch lastig om de verleiding te weerstaan als je eenmaal op een plek zit waar je die macht tot je beschikking hebt.
“Ik heb daar geen last van gehad. De christelijke politiek gaat erom die macht dienstbaar te maken aan de publieke gerechtigheid. Macht is onlosmakelijk verbonden met democratie: als je genoeg stemmen en zetels krijgt, behaal je een meerderheid en kan je korte tijd die macht voor jouw doelen inzetten. Maar je wordt net zo snel weer teruggefloten als de kiezer vindt dat je het niet goed doet. King Lear raakt verslaafd aan de macht, en valt dus in een zwart gat als hij die macht niet meer bezit. Hij kan het niet loslaten. Een ander probleem waar hij mee worstelt, is dat hij ontregeld raakt als iemand die hem dierbaar is hem niet naar de mond praat. Ik denk juist dat mensen in machtsposities heel actief tegenmacht en tegenspraak moeten organiseren.”

Hoe deed u dat dan als minister?
“Er zijn bewindslieden en staatssecretarissen die meteen in de clinch liggen met topambtenaren als deze ze tegenspreken. Ik heb dat altijd heel vreemd gevonden. Ik organiseerde als minister met regelmaat sessies waar ambtenaren juist op een plan van mij mochten schieten. 'Dit is het idee dat ik heb, schop en duw er maar flink tegen. Wat zie ik over het hoofd? Wat doe ik fout?' Daar leer je van, en dat kan zowel het plan als de verantwoordelijke alleen maar beter maken. King Lear kan daar niet tegen. Zijn jongste dochter is het eerlijkste, maar zegt niet wat hij wil horen en wordt daarom aan de kant gezet.”

U bent nu ruim een jaar weg uit de politiek. Mist u het aanzien dat met een hoge politieke functie gepaard gaat?
“Nee, totaal niet. Het is zeker zo dat je als zichtbare politicus aanzien verwerft. Als je fractieleider bent van een middelgrote partij, en zeker als je minister en vicepremier bent, trekt dat wel sporen in je leven. Je wordt op straat bijvoorbeeld aangesproken, al ben ik van mening dat dat er een beetje bij hoort. Dat verandert ook niet als je de politiek verlaat. Het gebeurt nog steeds, tot in het buitenland aan toe. Ik vermoed dat ik die last de rest van mijn leven met mij mee zal dragen. Soms is dat leuk, soms is het onaangenaam als mensen geen maat weten te houden.”

Bent u in een groot zwart gat gevallen na het afscheid van de landelijke politiek?
“Nee, dat niet. Maar ik moest wel afkicken. De Haagse politiek is een heel eigensoortig bedrijf en kent een heel unieke dynamiek. Ik ben daar echt verslingerd aan geweest en heb enige tijd nodig gehad om daar los van te komen. Maar dat geldt denk ik voor elk bedrijf waar je na 17 jaar afscheid van neemt. Ik heb het ook nooit als last ervaren, meer als een voorrecht.”

Lear ontdekt te laat dat hij te weinig tijd aan zijn kinderen heeft besteed. U was minister van jeugd en gezin. Was uw gezin ook een overweging om de politiek gedag te zeggen?
“Ja, dat was zeker één van de overwegingen. Na onze regeringsdeelname ontspon zich in de partij een hele discussie over de te volgen koers en de toekomst. De ChristenUnie had iemand aan het roer nodig die 200 procent kon geven voor dat nieuwe hoofdstuk in ons bestaan. Ik twijfelde erg of ik dat nog kon opbrengen. Een belangrijke reden waarom ik daar aan twijfelde was dat ik andere belangrijke zaken in mijn leven 17 jaar lang minder aandacht heb kunnen geven dan ik wilde. Dan heb ik het over mijn gezin, mijn vriendenkring, mijn kerkelijke gemeente. Die hebben wel onder mijn politieke carrière te lijden gehad, ja. Nu komt mijn gezin weer onvoorwaardelijk op de eerste plaats.”

© Het Toneel Speelt