Universum in Shakespeares tijd

‘Natuur, u bent mijn godin. Aan uw wet blijf ik gehoorzaam’, zo begint de openingsmonoloog van Edmund. Later in het eerste bedrijf begint Lear zijn vervloeking van Goneril met de woorden ‘Hoor, natuur, hoor, goede godin, hoor’. Al snel krijgt de toeschouwer door dat ze allebei iets anders bedoelen als ze het over de natuur hebben.

Het universum in Shakespeares tijd

In Shakespeares tijd was het universum een hierarchisch bouwwerk waarin het goede ergens boven zetelde en het slechte helemaal onderaan te vinden was. Het gebouw bestond uit vier niveaus. 1) De kosmos zetelde op de bovenste verdieping en daar woonde God in de hemel. De zon en de maan waren zijn natuursymbolen. 2) God maakte een huis voor de mensen in de Hof van Eden, dat terug te vinden was op de eerste verdieping. 3) Adam en Eva werden daaruit verdreven en de eerste mensen kwamen terecht op de begane grond en waren voor de rest van hun leven ontheemd. 4) Het vierde niveau is de wereld waar Edmund, Goneril en Regan zich thuis voelen. En dat is de kelder, waar de duivel de baas is en de destructieve krachten overheersen.

Geen God

Lear  appelleert hierboven aan een natuur waarin liefde, gehoorzaamheid, autoriteit en loyaliteit vanzelfsprekend zijn. Zijn verwijt  is dat Goneril hem onmenselijk (lees: onnatuurlijk) behandelt. In de wereld van Lear is geen sprake van een aanwezige God. We bevinden ons in een voor-christelijke tijd. Als Kent zich verzet tegen de krankzinnige beslissing van zijn koning, zegt Lear ‘Nu bij Apollo’ – en dan antwoordt Kent:
‘Niets Apollo, koning,
vergeefs roep jij daarmee je goden aan.’
Pal daarop noemt Lear hem een ketter, een ongelovige. Dat is wel geestig omdat dat opeens weer verwijst naar de heftige godsdienststrijd die in de tijd van Shakespeare in de christelijke wereld werd uitgevochten. 

© Het Toneel Speelt