Wim Kok

Wim Kok (1938) was enige jaren fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer en vervolgens minister van financiën. Tussen 1994 en 2002 leidde hij als premier de twee paarse kabinetten. Voordat hij de politiek in ging, was hij jarenlang voorzitter van de FNV.

 

Heeft u iets met Shakespeare?
“Ik denk niet dat er mensen zijn die helemaal niets met Shakespeare hebben. Het is niet zo dat ik elke maand een stuk van hem lees of zie, maar het is goed te beseffen dat we tot op de dag van vandaag nog naar talloze toneelbewerkingen, opera’s en musicals kijken die op zijn werken zijn gebaseerd. Shakespeare was de grootste schrijver die Engeland ooit heeft voortgebracht en er zijn honderden uitdrukkingen en citaten aan hem toe te schrijven. Er zijn maar weinig schrijvers van wie het werk na 400 jaar nog zo bekend is, en dat over de gehele wereld.”

King Lear worstelt ermee dat hij zijn macht kwijtraakt, en vervolgens zijn identiteit. U verliet in 2002 na tientallen jaren in de spotlights de landelijke politiek. Is die worsteling herkenbaar? 
“Lear is een heerser in de klassieke zin van het woord en hij valt heel diep wanneer hij zijn macht en zijn autoriteit kwijt raakt. Hij zet zijn eigen teloorgang in beweging. Maar in een parlementaire democratie werkt dat natuurlijk heel anders. Je hebt een goede kans in Nederland minister-president te worden wanneer je partij de verkiezingen wint. Maar in de periode dat je aan de 'macht' bent, wordt je doorlopend democratisch gecontroleerd. Je kan ook niet worden afgezet: het parlement kan wel het vertrouwen in je opzeggen. En dan stellen de wetten van dit land dat je het veld moet ruimen. Dat is een wezenlijke andere situatie.”

Uiteraard. Maar het lijkt mij een flinke omschakeling wanneer je afstand moet doen van de prominente positie die u jarenlang in het centrum van de macht heeft gespeeld.
“Je raakt gewend aan de verantwoordelijkheden die horen bij die zogenaamde macht. En je staat jarenlang in de spotlights. Ik heb in die acht jaar als premier maar weinig gelegenheid gehad aan iets anders te denken dan aan wat die functie van mij vereiste. Premier ben je 24 uur per dag, 7 dagen in de week. Ik heb in die periode maar weinig en vooral vrij korte vakanties gehad, en zelfs dan sta je nog voortdurend op scherp, omdat je ook op vakantie toch de eindverantwoordelijkheid voor alles houdt. Ik moest er erg aan wennen toen dat na acht jaar opeens niet meer zo was. In het begin denk je ook elke keer als je iets hoort over de minister-president heel even: 'hé, dat gaat over mij'. Dat is een soort reflex die ik nog vrij lang had. Ik kijk denk ik ook nog steeds op een andere manier naar wat Rutte of voor hem Balkenende heeft gedaan als minister-president dan andere mensen. Omdat ik in dezelfde cockpit heb gezeten als zij.”

Was het vervelend om afstand te doen van de privileges waarmee het premierschap gepaard gaat?
“Ik ben eenvoudig opgegroeid en heb lange tijd in de vakbeweging gewerkt. Pas toen ik midden veertig was, ben ik de landelijke politiek in gegaan. Ik ben nooit veel glamour en glitter gewend geweest. Ik denk niet dat het mij ooit naar de bol is gestegen. En anders had ik genoeg mensen om mij heen –mijn vrouw en kinderen voorop- die mij weer heel snel aan beide benen naar de grond zouden hebben getrokken. Maar het was wel wennen dat ik weer voor mijzelf moest zorgen. Als minister-president heb je medewerkers die je agenda bijhouden, je hebt een chauffeur. Dat moest ik allemaal opeens weer zelf gaan doen: mijn eigen afspraken bijhouden, ik moest opeens weer gebruik leren maken van de tram en de trein. Of op tijd weggaan met de auto om parkeerruimte te zoeken. In het begin moest ik mezelf een beetje herontdekken. Al met al vond ik het echt geen onaangename ervaring om weer mijn eigen boontjes te moeten doppen.”

Kostte het u moeite om weer te wennen aan een 'eenvoudig' leven?
“Nee, want ik ben ook toen ik premier werd niet meteen heel anders gaan leven. Ik ben volgens mij geen ander mens geworden toen ik een ambt met een hoge status bekleedde of toen ik opeens meer maatschappelijk aanzien had. Ook voordat ik de politiek in ging, was ik er als vakbondsleider wel aan gewend om mij in zogenaamd 'hogere kringen' te bewegen. Je staat 's ochtends niet op met de gedachte 'nu ga ik eens eenvoudig leven': je bent gewoon zoals je bent. Ik ben altijd al een type geweest van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'. Op die manier heb ik ook de vakbeweging en het land geleid.”

Wordt u op straat nog vaak herkend en aangesproken op uw periode als premier?
“Ja hoor, al wordt het de laatste jaren wat minder. Maar ik word op straat, in de tram of waar dan ook nog met enige regelmaat door mensen aangesproken over wat ze vinden of vonden van mijn werk in het verleden. Mensen die dingen die je hebt gedaan waarderen, of die juist teleurgesteld zijn in dingen die je niet hebt bereikt. De positieve opmerkingen overheersen gelukkig, ik heb niets te klagen. Maar het blijft soms een vreemde gewaarwording. Omdat ik zelf na tien jaar wel ben afgekickt van dat gevoel de eindverantwoordelijkheid voor dit land te dragen. Ikzelf voel me ondertussen wel weer een gewone burger. Maar andere mensen zien jou nog steeds vooral als die man van toen. Je kunt nooit meer ergens volledig anoniem zijn. En dat zal nooit meer overgaan.” 

© Het Toneel Speelt