Ger Groot

Ger Groot (1954) is schrijver en (cultuur)filosoof. Hij publiceerde onder meer in Trouw, NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer. Ook doceert Groot al lange tijd filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is sinds enkele jaren hoogleraar ‘Filosofie en literatuur’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Wanneer begon bij u de liefde voor Shakespeare?
“Al op jonge leeftijd. Ik was op de middelbare school enorm gefascineerd door de Engelse taal in het algemeen, en het Engels van Shakespeare in het bijzonder. Nog afgezien van de betekenis van de woorden en zijn teksten, klinkt die taal zo fantastisch. Het is een genot om naar die woorden en zinnen te luisteren. Ik kan dat uren volhouden zonder mij ook maar één moment te vervelen.”

Die kracht gaat toch verloren in een vertaling?
“Het gaat natuurlijk niet alléén om de taal, maar ook om dat wat er wordt gezegd. Het paradoxale van Shakespeare is dat hij voor ons zo modern overkomt omdat hij in zijn eigen tijd juist zo ouderwets was. Toen hij schreef, kwam het classicisme op. Veel schrijvers begonnen toen juist weer heel strenge regels van tijd, plaats, opbouw en handeling te hanteren, naar voorbeeld van Aristoteles en de andere grote Grieken. Vijf bedrijven, een koor ernaast om de scènes en gevoelens te duiden. Shakespeare deed daar niet aan mee: hij bouwde zijn stukken tamelijk Middeleeuws op, naar de traditie van het toneel zoals dat op jaarmarkten werd opgevoerd. Hij hanteerde geen formele eenheid, maar vertelde zijn verhalen bijna aan de hand van losse scènes. Hij springt moeiteloos van de ene plaats over naar de andere, en van eenheid van tijd is helemaal geen sprake. Voor ons, de moderne kijker, doet dat heel modern aan, heel levendig. Zijn teksten lenen zich daarom ook uitstekend voor verfilmingen. Wij ervaren dat als een natuurgetrouwe afspiegeling van de werkelijkheid en vinden dat classicisme met zijn strenge regels weer heel raar overkomen.”
 

Zijn verhalen lijken ook tijdloos. Ze laten zich heel goed vertalen naar andere tijden.
“Dat klopt, ja. Kijk maar naar Romeo en Julia wat een halve eeuw geleden subliem is bewerkt tot de West Side Story. Maar je zou net zo gemakkelijk een versie kunnen maken die zich in de Baarsjes anno 2012 afspeelt. Je hoeft nauwelijks iets aan te passen aan de tekst. En dat terwijl hij zijn stukken wel situeert op plekken die in het publiek van zijn tijd erg tot de verbeelding spraken, zoals Verona. Of op een kasteel, zoals Macbeth of Hamlet. Zo'n locatie heeft bijna iets sprookjesachtigs.”

Hoe zou King Lear zich naar uw mening het beste naar het heden laten vertalen?
“Ik heb het stuk van de week nog even herlezen. En ik stelde mij diezelfde vraag: wat kan je daar anno 2012 het beste mee doe? Wat mij opviel, is dat het eigenlijk over opvolging gaat. Hoe gaat de staat van de ene generatie over in handen van de andere? Dat zou je nu bijvoorbeeld kunnen situeren in een groot familiebedrijf: daar zie je vaak dezelfde problemen. De oudere generatie heeft het bedrijf opgebouwd en moet het op een gegeven moment overdragen op de jonge generatie, die er heel andere ideeën op nahoudt. De oude generatie wil de oude normen en waarden behouden, maar de jonge generatie staat juist te popelen om er eens flink met de bezem doorheen te gaan.”

Dat is volgens u thematisch de kern van Lear? 
“Het hangt natuurlijk ook van de interpretatie van de regisseur af. Maar dat is wel één van de zaken waar het stuk naar mijn mening over gaat, ja. En de vraag of met ouderdom inderdaad wel de wijsheid komt. Lear is oud geworden, maar nog niet echt wijs. En het verhaal gaat over de ongelooflijke wreedheid die in mensen kan schuilen - al wordt dat op den duur bijna karikaturaal. Dat hoort dan ook weer bij het Elizabethaanse theater trouwens. In het classicisme zouden zulke wreedheden op het podium nooit hebben gekund. Denk aan Vondel, of Racine. Er zaten natuurlijk wel gruwelijke zaken in die verhalen, maar die liet je dan vertellen, die toonde je niet. Shakespeare deed dat wel. En anno nu vinden we dat ook helemaal niet vreemd. Omdat we veel erger gewend zijn: in films, op televisie en op het journaal krijgen we dagelijks zulke wreedheden voor onze kiezen.”
 

Heeft u nog advies voor publiek dat naar Lear gaat kijken?
“Bij het kijken moet je jezelf zoveel mogelijk overgeven aan de tekst en aan wat de spelers en de regisseur daarmee op het toneel doen. Ik probeer mijzelf er altijd toe te dwingen pas na de voorstelling echt na te gaan denken over wat ik gezien heb en wat het allemaal betekende: tijdens het stuk zelf leiden dat soort gedachten vaak af. In het geval van Lear zijn het ook nogal wat onprettige waarheden over de menselijke natuur die je als publiek voor de kiezen krijgt. Wreedheid schuilt in elk van ons, en niemand wordt gespaard. Zelfs vrouwen niet - ook iets heel bijzonders. Veel auteurs schetsen vrouwen als zachtmoedige wezens, en beperken de roekeloosheid en wreedheid tot de mannelijke personages. Maar zo niet in het geval van Shakespeare: zowel in Lear als in Macbeth behoren de vrouwen tot de wreedste en meest roekeloze personages.”

© Het Toneel Speelt