Abraham de Swaan over joodse identiteit

“Bij ons thuis ging het er niet zozeer om of mensen joden waren of niet-joden, maar of ze in de oorlog ‘goed’ geweest waren of niet-fout.”

“Daarbij komt dat ik vind dat mensen het recht hebben van hun geloof af te vallen. Ik beveel ze dat zelfs van harte aan. Zo hebben mensen ook het recht om van hun ‘ras’ af te vallen, in joodse kringen ‘assimilatie’ genoemd en ook daar ben ik nog steeds erg voor. In dit licht moet je mijn afkeer zien van de pogingen van de sentimentalisten de joodse identiteit te mystificeren, op grond van wat er in de oorlog is gebeurd. Je moet je realiseren dat de intellectuele en morele basis van dit jood-zijn flinterdun is. Natuurlijk is er in de oorlog een immense ravage aangericht; daarvan kun je je nooit meer losmaken. En natuurlijk kun je een heel sterke behoefte hebben om op zoek te gaan naar lot- of begripsgenoten om met hen ‘treurarbeid’ te verrichten, zoals Freud het verwerken van verdriet zo mooi heeft genoemd. Maar wat er in de oorlog is gebeurd, kan op zichzelf niet de grondslag vormen van het jood-zijn.”

Toch wordt er, zowel van joodse als niet-joodse zijde, onverminderd gedacht in termen van het ‘typisch joodse’ als een harde ondoordringbare kern. Veel mensen menen een jood ook altijd te herkennen.
“Er zijn twee soorten mensen die hier altijd mee bezig zijn: antisemieten en joden. Er gaat een essentialistische manier van denken achter schuil: je hebt het ‘joodse’, zoals anderen spreken van het ‘Friese’ of het ‘vrouwelijke’. Ik ben een anti-essentialist; ik zie niets in dat opblazen van dat groepseigene. Ik denk ook niet dat je altijd kunt zien of iemand een jood is. Ten aanzien van herkenbaarheid heeft Wittgenstein er ooit op gewezen dat er zoiets is als familiegelijkenis: het kan zijn dat de tweede jood iets gemeen heeft met de eerste, de derde met de tweede, maar net weer iets anders. Je krijgt ketens van gelijkenissen. Met andere woorden: wat je als ‘typisch joods’ herkent is de familiegelijkenis van een aantal ‘joodse types’ die je je elk als een soort joodse Gestalt herinnert. Het is eigenlijk doodeenvoudig.” 
“Dit alles maakt overigens wel dat je je nooit helemaal van het jood-zijn kunt losmaken, al vind je het nog zo’n valse essentie. Als je al niet door niet-joodse mensen als jood wordt geïdentificeerd dan word je er wel door joden aan herinnerd dat je jood bent. Het idee van dat groepseigene kan groteske vormen aannemen: er zijn joden die vinden dat assimilatie erger is geweest dan de Holocaust. Want, zo redeneren ze, er verdwijnen meer joden doordat zij opgaan in een niet-joodse omgeving, dan er joden zijn vermoord. De mensen die dat zeggen zien mij dus liever dood dan levend. Dat zijn dus mijn vijanden.”

Uit een interview van Harm Visser met Abraham de Swaan, De onwerkelijke identiteit, gepubliceerd in Trouw, 12 februari 2000

© Het Toneel Speelt