Ger Groot over de tragedie van Sachel

Wie aan het begin van de 21ste eeuw Herman Heijermans’ Ghetto ziet, komt niet onder een schok van herkenning uit. Strijd en onbegrip tussen religies, weerspannigheid tussen traditie en modern leven, verachting tussen bevolkings-groepen en zelfs het anachronisme van het gearrangeerde huwelijk: het zit er allemaal in. Meer dan honderd jaar na dato maken we dat opnieuw mee, al zijn de namen van de betrokken partijen inmiddels veranderd. Het is niet langer het jodendom dat koppig de gelederen gesloten wil houden en de traditie sterker aanzet dan ooit het geval was. Nu is het de islam die - althans in sommige van zijn gelederen - ‘nee’ lijkt te zeggen tegen iedere assimilatie. De gevolgen daarvan zijn soms even verwoestend.
Ghetto laat zien hoe moeilijk het is het verleden uit te wissen, alle traditie overboord te gooien en de geschiedenis met een nieuwe lei te beginnen. Rafaël en Rose, de joodse jongen en de christelijke meid die in hun wederzijdse liefde de tegenstellingen hopen te overstijgen, zijn er de helden van. Hun idealisme wil niets meer weten van wrok en en de herinnering aan het ondergane leed waaraan hun omgeving een belangrijk deel van haar bestaansrecht ontleent. 
Steeds wanneer Rafaëls vader Sachel of zijn tante Esther zichzelf moeten rechtvaardigen, verwijzen zij naar wat er in de geschiedenis met hen, hun familie en hun volk, is gebeurd. Wat Heijermans enkele jaren eerder had beschreven in Ahasverus - een eenacter over de Russische pogroms - is voor hen nog een dagelijkse herinnering. Sachels leven heeft alleen zin als dat verleden levend blijft en steeds weer opnieuw wordt herdacht.
Daaraan wil Rafaël niet langer boodschap hebben. De tijd die zijn leven betekenis geeft is de toekomst, niet het verleden. De oude bokkige en ogenschijnlijk rücksichtlose vader is de meest aanstootgevende figuur in dit toneelstuk. Niet alleen omdat hij oude joodse stereotypen weer onbekommerd in ere lijkt te herstellen: hij lijkt gemodelleerd naar Shakespeare’s Shylock. Maar vooral omdat zijn onbuig-zaamheid zo shockerend is voor onze moderne flexibiliteit. Voor Sachel is een huwelijk tussen zijn joodse zoon en zijn christelijke meid letterlijk taboe is. Als Ghetto niet meer zou behelzen dan die afwijzing van Sachels achterlijkheid, zou het stuk hoogstens een soort humanistisch vormingstoneel zijn geweest. Maar het dwingt ons er ook toe Sachel te begrijpen - en dat is de moeilijkste opgave die Heijermans ons zou hebben kunnen opleggen. Want hoe beklagenswaardig hun lot ook is, al onze vanzelfsprekende sympathie voor Rose en Rafaël brengt ons nauwelijks verder. Schuren gaat het pas bij Sachel en diens gelijk - voor zover hij dat heeft. Het onbegrijpelijke van zijn houding leert ons misschien iets over de mense-lijke aard, waar het optimisme van Rose en Rafaël te gemakkelijk overheen ziet. 
Sachel is de jood die altijd al het slachtoffer was van de christenwereld die de dienst uitmaakte. Karalyk uit Ahasverus is zijn voorvader, zijn herinnering en tegelijk de kern van zijn wezen. En net als hij kan Sachel zich daarin alleen staande houden door vast te houden aan wat hem nu juist daarvan onderscheidt: zijn joodse ‘ik’ waarin godsdienst, leven en verleden naadloos in elkaar samenvloeien. Tesamen vertegenwoordigen zij iets dat nu eenmaal ís zoals het is. Dat laat zich niet zomaar veranderen omdat dan alles - niet in de laatste plaats het doorstane leed uit het verleden - in één klap zinloos en absurd zou worden. 
Het is opvallend dat de godsdienst voor Sachel (en zijn omgeving) nauwelijks een expliciete rol speelt. Religie is er louter op rituele wijze in aanwezig: als een verzameling gewoonten en gebruiken die het leven versieren en vorm geven - maar theologie of zelfs ‘Gods wil’ komen niet ter sprake. Godsdienst is een levensvorm, geen doctrine. Maar daarmee drukt die wel de kern van het leven uit, die ligt in de herinnering aan het verleden dat ieder maakt tot wie hij is. Zou iemand dat loochenen, dan zou hij uit het bestaan vallen en stuurloos worden, want hij zou zijn identiteit verliezen. Vooral wanneer de wereld vreemd en vijandig wordt, is dat van belang. En vreemd wórdt de wereld voor Sachel, die moet zien hoe oude zekerheden vervluchtigen en in rook opgaan. Vijandig was ze zelfs al veel langer, en aan juist aan die vijandschap heeft hij geleerd zijn eigenheid te ontlenen.

Ger Groot, september 2009

© Het Toneel Speelt