Over de rol van de Nar
Wijsheid en zotheid
Beroepsgekken, zotten, narren, clowns – hoe je ze ook wilt noemen, ze speelden een centrale rol in de tijd van Shakespeare. De zotheid in onze tijd wordt alleen toegestaan als prins carnaval met zijn raad van elf, het gekkengetal, de macht overneemt in de stad. De echte beroepszotten en hofnarren uit de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd bestaan niet meer. Om iets te begrijpen van de rol van de nar in Koning Lear moeten we dus terug in de tijd, maar blijven we wel dicht bij huis, met Desiderius Erasmus (1466-1536) en de rederijkers.
Lof der zotheid
In de wereldliteratuur erkent Erasmus als eerste de waarde van de zot, in zijn werk Lof der zotheid / (1509). Hierin drijft Stultitia, de personificatie van de zotheid, genadeloos de spot met alle rangen en standen in de samenleving. Vol ironie en dubbelzinnigheid zingt deze zotheid een lofrede op zichzelf: want ligt dwaasheid niet aan de basis van al het menselijk gedrag? Zotheid wordt dus bejubeld als iets goeds en daarmee kan de zot alle blunders en oplichterijen van de mens aan de kaak stellen. Via deze spreekbuis kon Erasmus onverbloemd de pijnlijke waarheid zeggen en tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor zijn uitspraken ontlopen. Het is immers maar een zot die dit verkondigt, die wordt door een weldenkend mens toch niet serieus genomen?

Pentekening in de marge van een exemplaar van Erasmus’ Lof der zotheid uit 1515.
De beroepszot van de rederijkers
Erasmus had een grote invloed op de literatuur van de Nederlandse rederijkers in de zestiende eeuw. Veel rederijkerskamers hadden een beroepszot in vaste dienst. Bij openbare vertoningen werd de zot als personage opgevoerd om een omgekeerde wereld te presenteren - waarmee veel over het echte leven gezegd kan worden. De zot regeerde over deze omgekeerde wereld, waarin een eigen logica gold. Als hij op straat achterwaarts liep, betoogde hij luidkeels dat hij de enige was die zich normaal voortbewoog. Dat ontregelde en zorgde bij het publiek voor een bevrijdende lach. Te weten dat alles betrekkelijk is, lucht op en relativeert de bedreigingen van de bestaande wereld. De zot kon hierbij het toonbeeld van onbeschaafdheid zijn: vies, redeloos, driftig, dierlijk.

De omgekeerde wereld van de zot: de paarden zijn achter de wagen gespannen en zelf staat hij op zijn kop. In de tekst boven de afbeelding staat: hier zietmen den oorspronck van allen ghecken, die willen gods waghen achterwaert trecken. 1500.
Maar de zot maakte zichzelf niet alleen belachelijk, hij kon ook de zuivere waarheid vertellen. Omdat de nar in zijn omgekeerde wereld niet gebonden was aan de heersende normen, had hij een ongelimiteerde vrijheid van meningsuiting. Zo kon hij onbelemmerd de waarheid verkondigen, zelfs als deze pijnlijk was. En hij sprak altijd de waarheid: het heersende idee was dat de onnozele, onbedorven door enige geleerdheid, geheel onbevangen kon spreken. Dat wordt zelfs in de bijbel geformuleerd door Paulus: ‘Als iemand onder u wijs meent te zijn – wijs volgens de opvattingen van deze wereld – dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren.’ (I Kor. 3:18). De zot toonde dus aan dat er verschillende vormen van wijsheid bestaan.
De nar en de koning
De zotten die in dienst waren bij een edele of vorst, hofnarren genoemd, hadden een bijzondere positie. Alleen bij zijn nar kon de koning doen en laten wat hij wilde, omdat bij hem de bestaande verhoudingen niet meer golden. De nar was niet gebonden aan onderdanigheid of vleierij, maar zal zijn vorst de waarheid zeggen als hij daarom vraagt. Dat maakt de nar ook zo’n dankbaar personage in een tragedie: de nar kan de trots van zijn heer lek prikken, door hem de bittere waarheid over zijn gedrag te vertellen. In Koning Lear is het dan ook de nar die de koning onomwonden duidelijk maakt dat hij een verkeerde beslissing heeft gemaakt: Toen jij je kroon in tweeën kloofde en beide helften weggaf, droeg je zelf je ezel op je rug door de drek. Jij had weinig hersens over in je kale kroon, toen jij je gouden weggaf. […] Ik ben nu beter dan jij, ik ben een nar, jij bent niets.’ (I.4. 152-6, 184-5) Lear neemt geen aanstoot aan deze vuile woorden. Hij waarschuwt zijn nar slechts: als hij liegt, krijgt hij de zweep.
De rollen omgedraaid
Ook de nar praat over het hanteren van de zweep, maar dan in een omgekeerde wereld. Hij zegt tegen zijn koning dat als Lear zijn nar zou zijn, hij hem zou laten slaan omdat hij oud is geworden voor zijn tijd. Het is een straf waarin een wijze les verborgen zit:‘Je had niet oud moeten worden voordat je wijs was.’ (I.5.41-2) Wederom wijst de nar zijn koning op de dwaasheid van zijn handelen, alsof hij zijn geweten vormt.
Will Kempe (1560-1603), de nar van Shakespeares gezelschap. Foto van een houtgravure uit 1600.
De nar draait de rollen van koning en zot wel vaker om. Als de nar en de koning tijdens de storm op de heide Kent ontmoeten, identificeert de nar zijn gezelschap met de woorden:‘een schedel en een fluit. Dat is een wijs man en een nar.’ (III.2.40-1 Het is dan aan het publiek om te bepalen wie van de twee de wijze man is.
De nar verdwijnt
Aan het einde van het derde bedrijf verdwijnt de nar plotseling, om niet meer terug te keren. De critici zijn het nog niet eens over de reden van dit plotselinge vertrek. Maar als we de nar begrijpen als Lears geweten, dat hem de morele waarheid vertelt die hij eigenlijk niet wil horen – dan is de nar in de volgende scènes niet meer nodig. Aan het eind van dit bedrijf spreekt Lear zijn nar niet meer aan met ‘boef’ of ‘nar’, maar noemt hij hem ‘wijsgeer’ en ‘bezitter van elke gerechtigheid’. De rollen zijn daadwerkelijk omgedraaid: Lear wordt zelf zot. In de waanzin die volgt kan hij zichzelf de bittere waarheid vertellen. Lear wordt zijn eigen nar.
Verder lezen/Leessuggesties
Bell, Robert H. (2011). Shakespeare's great stage of fools. New York: Palgrave Macmillan.
Pleij, Herman. (2007). De eeuw van de zotheid. Over de nar als maatschappelijk houvast in de vroegmoderne tijd. Amsterdam: Bert Bakker.
