Prins der dichters

VONDEL IS DE PRINS DER DICHTERS

 

            Het hemelse gerecht heeft zich ten lange lesten

            Erbarremt over my, en mijn benauwde vesten,

            En arme burgery; en op mijn volks gebed,
            En dagelijks geschrei, de bange stad ontzet.

 

Bestaan er bekendere regels uit een Nederlands toneelstuk dan de eerste vier uit de Gijsbreght, uitgesproken door de hoofdrolspeler zelf? Hoogstwaarschijnlijk niet. Nou ja, 'de vis wordt duur betaald' uit Op hoop van zegen van Herman Heijermans kan er misschien mee wedijveren. Zeker de beginregel uit de Gijsbreght is sinds de eerste opvoering in 1638 zo vaak herhaald, dat die bijna de status van een gezegde heeft bereikt. 'Het hemelse gerecht heeft zich ten lange lesten' is daarmee één van de bekendste versregels uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis.De Gijsbreght herbergt nog meer taaluitingen die nu, bijnavierhonderd jaar later, nog steeds bekend zijn. De regels over de door het huwelijk bezegelde liefde tussen een man een vrouw bijvoorbeeld: ,,Waer werd oprechter trouw / Dan tusschen man en vrouw / Ter weereld oit gevonden? / Twee zielen gloende aen een gesmeed, / Of vast geschakelt en verbonden / In lief en leedt.” (vss.1239-1244).

Taalkunstenaar

Dat deze regels nog altijd zo bekend zijn, is veelzeggend voor Vondels schrijverschap. Hij was een taalkunstenaar bij uitstek, een meester van het woord. Een dichter die woorden letterlijk uitvond om precies te zeggen wat hij wilde zeggen. De Nederlandse taal was in zijn tijd immers nog in ontwikkeling; onder aanvoering van de rederijkers, schrijvers die zich in gezelschappen meester van de poëzie maakten, werd aan de taalvernieuwing gewerkt. Vondel speelde in dit proces een prominente rol. Niet voor niets werd hij geëerd als de Prins der dichters.

Zuivering van de Nederlandse taal

Vondel wilde het Nederlands naar een hoger niveau wilde tillen. Het liefst naar het niveau van het latijn, dat zeker in zijn tijd in hoger aanzien stond dan de volkstalen. Vondel deed dat niet door er in het wilde weg op los te experimenteren. Integendeel. Samen met een aantal gelijkgezinden, zoals P.C. Hooft en Laurens Reael, is hij de Nederlandse taal gaan zuiveren en stelde hij er regels voor op. Dat was volgens hem nodig omdat die bol stond van 'bastertwoorden en onduitsch'. Onder meer Zuid-Nederlandse en Duitse taalinvloeden moesten er in die tijd aan geloven in Vondels streven naar een puur Nederlandse taal, maar ook plat Amsterdams, Antwerps en Latijn ging hij uit de weg. Toen dat gebeurd was, en de gezuiverde taal steeds meer gesproken werd in de betere milieus, was Vondel trots op zijn 'schat der welsprekendheid'.

Vondel ging uitgebreid in op deze taalzuivering in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, waarin hij doceerde wat ware dichtkunst was en waar zij aan moest voldoen. Dat werk is alleszeggend voor zijn status als taalkunstenaar. Hij volgde niet alleen maar de klassieken na, zoals gebruikelijk in zijn tijd, maar ontpopte zich als een schepper van het woord.
 

Vondel was een genie

Hij beschouwde het dichtersambt ook als zodanig. ,,Een dichter behoort hemelval en de spraak der Goden te spreken. De hemelse Poëzy wil niet op den middeltrap, maar moet in top staan, en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naar de wetten bij de Geleerden daartoe voorgeschreven, waartoe wij gewezen worden,” zo schreef hij in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste.
 Wat maakt Vondels taal nu zo bijzonder? Hij schrijft beeldend en wellustig. Hij is een dichter met een schildersoog. Zijn schrijfstijl is visueel, filmisch zouden we nu zeggen. In de Gijsbreght blijkt dit in de beschrijving van de reus van Haarlem, die nietsontziend ten strijde trekt tegen de Amsterdammers (1302-1308):
 
Dat speet den groote Reus, die liet zich vreeslijck hooren,
En stak met hals en hooft, gelijck een steile toren
En spitse, boven 't volck en alle hoofden uit,
En scheen een olyfant, die omsnoft met zijn' snuit.
Zij spietse was een mast in zijne grove vingeren.
Ick zagh hem man op man gelijck konijnen slingeren
Wel driemael om zijn hooft, gevat by 't eene been,
En kneuzen dan het hooft op stoepen of op steen. 
 

Ook het ritme dat Vondel zijn taal meegaf, wordt nog altijd geroemd. Hij voorzag zijn dichterlijke taal van zo'n fraaie cadans, dat hij muziek maakte met poëzie. De openingsregels van de Gijsbreght zijn een voorbeeld van die muzikale taal – je zou ze bijna kunnen rappen (Adriaan van Dis heeft dit gedaan bij de opening van het Boekenbal een paar jaar terug). De volgende passage over het beleg van de Haarlemmers (1341-1344) geeft een goede impressie hoe bedreven Vondel was in het spelen met klank en metrum:  

 'k zag hier hoeze streden. / En met den storrembock de poort geweld aen deden, / en ramden reis op reis, verdadight door een dack / Van schilden, dicht gevoeght. de deur gaf krack op krack.
 
De klanknabootsingen (alliteraties en assonanties) verbinden de woorden, terwijl Vondels regelmatige metrum hier wonderwel past bij het gebeuk van de stormram die hij beschrijft. Meesterlijk taalspel, waarmee hij nog altijd verwondering wekt. Ook bij schrijvers van moderne literatuur. Vondel werd in zijn tijd met recht de prins der dichters genoemd 

Nieuwsbrief

Meld je nu aan voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte.

aanmelden


Het Toneel Speelt

Social media
adres

Telefoon: 020 620 8804
Meer contactgegevens
Voorstellingen
Pers
Colofon
© 2010 Het Toneel Speelt

Ontwerp en realisatie
Stijlbende & Peppered